Het boek met dvd bevat, naast vele afbeeldingen in kleur, een uitgebreid essay van dr. Han Steenbruggen, directeur-conservator van Museum Belvédère in Heerenveen.De uitgave toont hoe De Nie vanuit de figuratie een consistent abstract oeuvre opbouwde.... Lees verder >>
Het boek met dvd bevat, naast vele afbeeldingen in kleur, een uitgebreid essay van dr. Han Steenbruggen, directeur-conservator van Museum Belvédère in Heerenveen.De uitgave toont hoe De Nie vanuit de figuratie een consistent abstract oeuvre opbouwde. Door lijnen in het nieuwe werk te verknopen met ouder werk en tegelijkertijd de plaats binnen de schilderkunstige ontwikkelingen van zijn tijd te duiden wordt deze consistentie expliciet gemaakt.
Jackson Pollock, tragisch icoon van het abstract expressionisme, ontwikkelde, met invloeden van Picasso en het Mexicaans surrealisme, zijn eigen manier van kijken, interpreteren en weergeven. Hoewel zijn naam onherroepelijk beelden oproept van de ‘drip... Lees verder >>
Jackson Pollock, tragisch icoon van het abstract expressionisme, ontwikkelde, met invloeden van Picasso en het Mexicaans surrealisme, zijn eigen manier van kijken, interpreteren en weergeven. Hoewel zijn naam onherroepelijk beelden oproept van de ‘drip paintings’ waar hij zo beroemd mee is geworden, heeft hij deze techniek pas halverwege zijn carrière ontwikkeld. De evolutie van zijn vroege werk tot zijn uiteindelijke ‘actieschilderingen’ -een ware revolutie in het concept schilderen - toont de ware genius van deze gekwelde kunstenaar, die velen de grootste moderne Amerikaanse schilder noemen.
De oprichter van abstracte kunst. De Russische schilder Wassily Kandinsky (1866-1944), die later in Duitsland en Frankrijk woonde, is een van de pioniers van de 20e eeuwse kunst. Tegenwoordig wordt hij gezien als de oprichter van de abstracte kunst en is... Lees verder >>
De oprichter van abstracte kunst. De Russische schilder Wassily Kandinsky (1866-1944), die later in Duitsland en Frankrijk woonde, is een van de pioniers van de 20e eeuwse kunst. Tegenwoordig wordt hij gezien als de oprichter van de abstracte kunst en is hij bovendien de belangrijkste theoreticus van deze manier van schilderen. Samen met Franz Marc en anderen richtte hij de groep kunstenaars op die bekend staat als de “Blauer Reiter” in Munchen. Zijn kunst bevrijdde zichzelf steeds meer van het object, wat uiteindelijk leidde tot het hoogtepunt “First Abstract Watercolour” in 1910. Kandinsky zocht in zijn theorie herhaaldelijk naar de overeenkomst met muziek, en net zoals in de muziek, waar de afzonderlijke noten door een bepaalde harmonie en eufonie de muziek maken, doelde Kandinsky op een pure harmonie in kleur door het gebruik van diverse schakeringen (tinten). Gauguin had geeist dat alles opgeofferd moest worden aan pure kleuren. Kandinsky was de eerste die zich dat realiseerde en zodoende een hele rij van kunstenaars beinvloed heeft.
De kunstenaar Jaap Stellaart (Zaandijk, 7 december 1920) ontwikkelde zich vlak na 1945 tot een abstract werkend schilder en tekenaar. Hij wilde iedereen bereiken met zijn kunst, maar deinsde terug voor de grote kunstwereld met haar tentoonstellingen,... Lees verder >>
De kunstenaar Jaap Stellaart (Zaandijk, 7 december 1920) ontwikkelde zich vlak na 1945 tot een abstract werkend schilder en tekenaar. Hij wilde iedereen bereiken met zijn kunst, maar deinsde terug voor de grote kunstwereld met haar tentoonstellingen, openingen, verplichtingen en prestatiedruk. Zijn gevoelige natuur raakte op drift door geestelijke crises. Een paar keer werd hij opgenomen in een inrichting omdat de spanning tussen de behoefte zich te uiten en de noodzaak zich af te zonderen hem te veel werd. Later streefde hij er naar ‘niets te moeten’, maar zijn kunst bleef opzien baren. Meerdere keren in zijn leven wees hij de weg naar het succes af, ten gunste van een leven in de marge.Jaap Stellaart ontdekte zijn tekentalent op elfjarige leeftijd. Na zijn schooltijd werkte hij op een kantoor en bleef ‘voor de lol’ tekenen. Daarnaast drumde hij in jazzbands en was hij hardrijder op de schaats. Hij was overal goed in. Tijdens de oorlog besloot Stellaart definitief kunstenaar te worden. Stellaart kreeg les van Gerrit Jan de De Geus, een plaatselijke kunstenaar die werkte in de modernistische trant van Sluyters en Van Dongen. Hij leerde vooral de techniek, voor het overige vormde hij zichzelf. In 1939 leerde hij Aart Roos kennen. Roos studeerde in de jaren 1941 – 1943 aan de Rijksacademie in Amsterdam. Ze waren onafscheidelijk. Stellaart begon zijn zoektocht naar een eigen stijl en raakte weg van het naturalisme en herkende bij Paul Klee het plezier van de associatie. In 1943 doken Stellaart en Roos onder. Vlak na de oorlog leerde Stellaart zijn vrouw Nanny kennen. Hij exposeerde in de Zaanstreek en werd opgemerkt. In 1946 ontstonden abstracte werken. In 1948 deed Stellaart mee aan de tentoonstelling ´Amsterdamse schilders van nu´ in het Stedelijk Museum, verkocht de drie inzendingen en raakte in de ban van Karel Appel. Zijn introverte aard volgend, bleef hij in de Zaanstreek. Hij wilde ontsnappen aan de invloed van Klee en Appel en in alle rust aan zijn kunsttaal werken. Hij werkte intuïtief aan schilderijen die geen onderwerp nodig hadden om betekenis te hebben. Stellaart ontwikkelde een eigen experimentele stijl, die niet in goede aarde viel bij pers en publiek. In de jaren vijftig vond de kunstenaar aansluiting bij de groep Creatie en deed mee aan exposities in binnen- en buitenland. Hij exposeerde met onder andere Karel Appel, Armando, Willy Boers, Eugene Brands, Corneille, Wim Crouwel en Anton Rooskens. De verwantschap met het gedachtegoed van Cobra komt tot uiting in de volgende uitspraak uit 1954: “Een schilderij is nooit en zal nooit een afbeelding zijn. Het is nooit een tomaat of een ruggengraat, een stalen mast, een wolkenkrabber of een zichtbare vader en moeder met een lamp boven tafel. Het is altijd een schreeuw, een stilte, een kilte, een huivering, een ontmoeting, kortom een gesteltenis, een toestand.”
Het abstracte werk uit die tijd was deels tachistisch en deels schilderachtig. Werken met een ingetogen karakter werden afgewisseld met expressieve en kleurrijke schilderijen. Organische, glasachtige composities roepen associaties op met fragmenten van plantencellen. Stellaart wilde dat het kunstwerk zich als vanzelf maakte, zichzelf tekende vanuit een vormloos begin tot een compositie in lijn, vorm en kleur. Aan het einde van de jaren vijftig maakt de doorzichtige microscopische wereld van het plantenrijk plaats voor werken die doen denken aan van boven geziene landschappen, doorsneden met grillige wegen en gestoffeerd met steden, gebouwen, bebossing en water. Het is alsof Stellaart de microscoop verruilt voor de helikopter.
Over zijn schilderen zei hij: “Ik begin zonder meer en dan gaat het schilderen vanzelf. Dit is een zeer natuurlijke uiting, die veel voldoening schenkt. Vroeger waren de onderwerpen nog wel te onderscheiden, maar ik had het gevoel, dat zij niet compleet waren. Wat heeft het voor zin om een vaas rozen na te schilderen? Iedereen kan die rozen in natuurlijke staat bewonderen, veel mooier dan op een doek, waar je hun geur ook niet kunt ruiken. Toen ik op een gegeven moment een vaas schilderde als een vlek, schonk me dit veel meer voldoening dan wanneer ik de vaas zonder meer had uitgeschilderd.”Van 1953 tot 1969 woonde Stellaart en zijn gezin in de onttakelde molen de Os aan de Zaanse Schans. Museumdirecteuren zoals Hammacher (Kröller–Müller), Sandberg (Stedelijk Museum) en De Wilde (Van Abbemuseum) raakten geïnteresseerd in zijn werk en namen het op in reizende internationale tentoonstellingen, zoals Dutch Art en Junge Kunst aus Holland. Men merkte een verwantschap op met Corneille en zag invloed van Klee. Stellaart bleef in het zelfgekozen isolement in de Zaanstreek wonen. In 1956 vond de eerste solotentoonstelling plaats in de Amsterdamse galerie v/h Martinet en Michels. Naast ingetogen zwart-witgouaches toonde hij kleurrijke olieverven op doek. Hiermee sprak de kunstenaar een breder publiek aan. Uit de schuchtere, in zichzelf gekeerde kunstenaar met de kleine, zwart-wit werken, was een kleurrijke, inventieve en optimistische kunstenaar gegroeid. Stellaart verfijnde zijn stijl. De verkramptheid van de nerveuze witte lijnen maakte plaats voor een royaal schildergebaar, een rijkdom aan kleuren en vormen en een overdaad aan ideeën. Helaas duurde deze artistieke euforie niet lang. De druk van de kunstwereld bleek te groot. Stellaart trok zich terug. Hij schilderde weer op kleine formaten zonder veel kleur. Hij zei dat de kunst bestond bij de gratie van een gemis van het volkomen geluk in het leven. Dat gemis, dat gat, wordt door kunst gevuld. Daarna exposeerde hij twee jaar niet. Na een zware crisis pakte hij de draad weer op. In 1961 maakte Stellaart enkele muurschilderingen in opdracht van de Nederlandse Kunststichting en deed mee aan een aantal groepstentoonstellingen. Een serie werken die hij op verzoek van Sandberg in het Stedelijk Museum ophing, haalde hij uit onvrede terug. Daardoor werd zijn werk niet in de collectie opgenomen en gold de kunstenaar als onhandelbaar. De onbegrepen Stellaart voelde verwantschap met een andere eenling uit die tijd, Jaap Nanninga.
Over het schilderen zei Stellaart: “Wat er ten slotte overblijft (het schilderij) is het restant van het proces: resultaat van verworpenheden... Niet ik maak mijn schilderijen, maar: mijn schilderijen maken en vermalen mij. Steeds zal er minder van mij overblijven. Ten slotte heb ik dus toch een “doel", namelijk mezelf volledig oplossen."En: "We zijn als zwervers op weg, wij, de nomaden, en zijn verheugd, dat de kunst er is om ons te helpen bij het volwassen worden."Hiermee verwoordt Stellaart zijn positie die hij sindsdien als kunstenaar heeft ingenomen. Als mens is hij niet de meester, maar de slaaf van het schilderen. Hij wordt er door opgeslokt en zal verdwijnen. Het bewust scheppen een schilderij is slecht omdat het gebeurt uit onvrede. Zo’n werk is een (ontsierend) vlekje in het bestaan. De maker wil zich alleen maar bewijzen. Een kunstwerk moet daarom niet bewust gemaakt worden, maar zich spontaan aandienen. Dan is de maker het instrument waarmee het schilderij zichzelf maakt. Het is de enige manier om een ‘goed’ schilderij te maken. Er zijn geen vlekjes meer, omdat het ontsierende ‘willen’ van het ego van de maker geen rol speelt. De maker verdwijnt, het goede kunstwerk wordt één met de eeuwige kosmos. Er volgde opnieuw een jaar van stilte. In 1964 was er een tweede solotentoonstelling, dit keer in Aemstelle in Amstelveen. De criticus Hans Redeker (die Stellaart al een aantal jaren volgde) opende. Het werd een succes. Spoedig daarna openbaarde zich bij Stellaart manische depressiviteit. Hij leed mogelijk aan bipolariteit. In 1965 exposeerde Stellaart in Amsterdam bij galerie De 3 Hendricken.Volgens een criticus lieten de werken vooral afschuw om het verval van lichamen zien. De grijze schilderijen met kleuraccenten zijn somber. Stellaart leek opnieuw voet aan de grond te krijgen in het Amsterdamse. De kritieken waren positief, men ontwikkelde een oog voor zijn kunst. Maar Stellaart gooide het over een andere boeg. Naast het schilderen ontstonden objecten, bewegende machines en speelse voorwerpen. Het ging Stellaart niet meer om een schilderij, maar om ruimte en beweging.Een recensent schreef: “De opvallende tegenstelling tussen schilderijen en andere voorwerpen geeft de tentoonstelling het effect van een protest of een schok. Het laat de bezoeker niet koud of onbewogen […] Wie deze tentoonstelling heeft bezocht, heeft iets anders ondergaan dan ‘even schilderijen kijken’.”De popart werken noemde hij ‘bewegende plastieken’. Hij kon er verschillende thema’s in kwijt, zoals gebondenheid en vrijheid, het opdiepen van begraven schatten in de zoektocht naar kosmische dimensies van het bestaan en de voortplanting als doorgang tussen verschillende werelden. Het zijn de belangrijkste onderwerpen in het denken en de kunst van Stellaart. Ook vroeg hij aandacht voor poëzie. Het publiek en de meeste critici oordeelden negatief. Na een wandschildering in opdracht en enkele groepsexposities (onder meer Facetten in Museum Bommel van Dam in Venlo) werd Stellaart in 1968 opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Over zijn eerste opname zei hij: “Op een ochtend sta ik op en voel me wonderlijk blij. Ik neem m’n vrouw in m’n armen en zeg: “Het paradijs is op aarde.” Ik kijk naar buiten en zie alles als smeltend plastic in elkaar zakken. Alle vormen, alle vastheid, blubberden in elkaar. […] Aan het einde van de dag hebben ze me plat gespoten. Ik ben afgevoerd naar een inrichting.” Op een ander moment vertelde hij: “Mijn hoofd was vol. Ik was aan opruimen toe, ik kon er niet meer tegenop, het was teveel geworden. Een ondraaglijke druk, het gezinsleven, het geld, de belastingen, altijd maar moeten produceren, het kunstgewoel. Ik geloof dat ik echt gek ben geworden…”
Rond 1970 nam het aantal (inter)nationale exposities waar Stellaart aan mee deed snel af. Zijn werk was bijna alleen in de Zaanstreek te zien en zijn naam verdween uit de groep van de Nederlandse avant-garde. Voor het publiek was Stellaart een onbegrijpelijke en complexe kunstenaar die de kansen niet greep en daardoor onsuccesvol bleef. Voor Stellaart ging het niet om bekendheid, maar om zuiver zoeken. Omdat hij zichzelf niet wilde verraden bleef het succes uit. Hij wilde zich niet overleveren aan de openbaarheid. Dit was even onvermijdelijk als pijnlijk. Het niet tot wasdom komen van Stellaarts kunstenaarschap werd tragisch genoeg zowel veroorzaakt door moedwil als door misverstand.
Het gezin Stellaart verhuisde naar Haaldersbroek, een tussen Zaandam en de Zaanse Schans gelegen buurtschap. Stellaart werd er brugwachter. Hij kreeg specifieke medicatie en werd in 1973 opnieuw opgenomen “…nadat de lang verwachte explosie van de tijdbom in zijn kunstenaarsbrein plaats had.” Tijdens de opname kwam Stellaart tot rust. Weer thuis zat de kunstenaar het liefste aan de keukentafel en vulde de ene na de andere multomap met gedichten, aforismen en geometrische tekeningen. Stellaart trad niet naar buiten, maar maakte wel kunst. Zijn werk veranderde. De organisch opgebouwde composities, bestaande uit talloze kleine vormpjes en kwaststreken, werden vervangen door grote, geometrische vlakken in heldere kleuren, vaak omgeven door zwart. Deze kleurige mozaïeken kennen een heel eigen ritme en uitstraling. Volgens sommigen zijn ze vrolijker dan het vroegere werk. Stellaart zei dat hij zich na een louterende geestelijke crisis had hervonden. Net als in eerder werk, speelt ook hier de ruimte een belangrijke rol: in een eindeloze variatie verschijnen aanduidingen van aarde, lucht en horizon, afgewisseld met kleurige cirkels, vierkanten en driehoeken. De kunstenaar verwees steeds vaker naar kosmische dimensies en de vrouw als oorsprong van het leven. Hij zocht naar leegte: “Volgens mij is de leegte een uitgangspunt om iets creatiefs te laten gebeuren.” In 1976 volgde de laatste grote expositie. Hoewel Stellaart de leegte wilde laten zien (met alleen een naaktfoto van hem en de uitnodiging om met hem te praten), bezweek hij voor de druk om schilderijen op te hangen. Het werd een overzicht. Hij gaf aan dat hij niet langer de rol wilde spelen van kunstschilder die tot zijn dood schilderijtjes maakt, net zo min als hij de rol van patiënt wilde spelen. Hij wilde leeg door het universum zweven. Stellaart verklaarde ontevreden te zijn over het functioneren van kunst, omdat kunstenaars er hun ongenoegen mee laten zien. Zelf gaf hij toe nog steeds in de valkuil van het ‘zo nodig moeten’ te trappen. Ook zijn schilderijen bleven vlekjes in de helderheid. Maar waarde en intentie van wat hij maakte waren sinds de jaren tachtig definitief veranderd. Niet langer wilde hij nog franje of decoratie schilderen, maar kosmische concentratiepunten. Zijn schilderijen, vaak in de vorm van mandala’s, werden instrumenten om bij te mediteren. Zijn teksten regen zich aaneen tot grillige gedichten, met een hoofdrol voor de vrije associatie. Hij maakte alles voor zichzelf. Kosmische vragen bleven hem bezig houden. Stellaart zei: “We zijn helderheid. Allemaal. We zijn het nu, we waren het voor onze geboorte en ik ben ervan overtuigd dat na de dood, als het lichaam ophoudt te functioneren, die helderheid gewoon blijft. […] In die helderheid doet zich het verschijnsel voor dat er af en toe een schilder zijn kop opsteekt. Die schilder moet weer even nodig. Hij wil opgelost worden. Hij wil weer helder worden. Voor zover er sprake is van schoonheid, is dat het mooiste wat er is. Om niets dan helderheid te worden. Een schilder is even een vlek in die helderheid. Verder niets.”Tot zijn dood in 1992 leefde hij teruggetrokken in Haaldersbroek. Regelmatig exposeerde hij in galerie Bramkha, gelegen op een steenworp van zijn huis. Vijf jaar na zijn dood werd Stellaart opnieuw ontdekt. Dit boek hoopt een positieve rol te spelen in deze herontdekking.
Edlef Romeny (Sint Michelsgestel, 1926) is in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw in Zweden een bekend en succesvol kunstenaar. Zijn werk staat er onder invloed van het abstract expressionisme. Vernieuwend zijn vooral zijn etsen in... Lees verder >>
Edlef Romeny (Sint Michelsgestel, 1926) is in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw in Zweden een bekend en succesvol kunstenaar. Zijn werk staat er onder invloed van het abstract expressionisme. Vernieuwend zijn vooral zijn etsen in carburundumtechniek.Na de scheiding van zijn Zweedse vrouw gaat Romeny in 1980 in Frankrijk wonen, waar hij trouwt met zijn jeugdliefde, de bekende sopraan Lise Arséguet. Hij bezit dan al vanaf 1965 een atelier in de Provence, waar hij ’s zomers werkt, verrukt van het uitzonderlijke landschap. In 1986 vestigt hij zich er definitief en verwerft ook in deze omgeving erkenning. Als colorist en schoonheidszoeker werkt hij in deze periode meer figuratief dan abstract.In een autobiografisch geschrift schetst Romeny op levendige wijze, met veel anekdotes, zijn ontwikkeling als mens en kunstenaar. Hij groeide op als domineeszoon in Twente en voelde al snel een roeping tot beeldend kunstenaar. Zijn opleiding in de toegepaste kunsten in Arnhem werd in 1944 onderbroken door de oorlogshandelingen. Na de bevrijding ging hij als marinier naar Nederlands-Indië, waar hij als fronttekenaar de politionele acties meemaakte. Van 1948 tot 1951 studeerde hij aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten.Kunsthistorica Roel Smit-Muller gaat nader in op de verschillende genres in Romeny’s werk. Zij bespreekt ook de glas-in-lood ramen uit zijn vroege periode, zijn werken in serie – bijvoorbeeld de reeks gewijd aan de moord op Olof Palme –, zijn grafiek en enkele motieven in zijn oeuvre: muziek en dieren, in het bijzonder het vogelmotief.Romeny heeft de band met Nederland altijd aangehouden; hij bleef er regelmatig exposeren. Zijn tachtigste levensjaar is een goede aanleiding tot het eerste Nederlandstalige overzicht van zijn leven en werk.
inhoudsopgaveAutobiografie door Edlef ter Haar Romeny
I. JeugdII. OorlogsjarenIII. Amerika en Nederlands-IndiëIV. FrankrijkV. AntwerpenVI. Noord-AfrikaVII. AmsterdamVIII. Zwerftochten en ontmoetingenIX. ZwedenX. ProvenceXI. ParijsXII. 1986-2006
Kunsthistorische beschouwing van het werk van Edlef Romeny door Roel H. Smit-Muller
Inleiding1. Kunstenaarsbrieven2. Monumentaal werk3. Werken in serie 4. Zelfportretten5. Portretten en figuurstukken6. Muziek als inspiratiebron7. Stillevens8. Landschappen en stadsgezichten9. Dieren als motief10. Grafisch werkTot slot
Pivotal points in the life of Edlef ter Haar Romeny TentoonstellingslijstRegister van persoonsnamen
Dat het Willem de Kooning (1904-1997) aardig is gelukt om de grootste kunstenaar, de grootste minnaar en de grootste drinker te worden wordt wel duidelijk uit deze indringende biografie. Zeker is dat De Kooning een van de belangrijkste kunstenaars van de... Lees verder >>
Dat het Willem de Kooning (1904-1997) aardig is gelukt om de grootste kunstenaar, de grootste minnaar en de grootste drinker te worden wordt wel duidelijk uit deze indringende biografie. Zeker is dat De Kooning een van de belangrijkste kunstenaars van de 20e eeuw is; de sleutelfiguur van de revolutionaire Amerikaanse beweging van het abstract-expressionisme. De Kooning: Een Amerikaanse meester gaat in op alle aspecten van het leven en het werk van deze gecompliceerde, getormenteerde schilder: de armoedige jeugd in Rotterdam, de emigratie naar Amerika, zijn verwoede pogingen kunstenaar te worden, de rol van de kunsthandelaren Peggy Guggenheim en Leo Castelli, de hechte vriendschap met leermeester Arshile Gorky, zijn promiscuïteit, de alcoholverslaving, de relatie met vriend en rivaal Jackson Pollock, het tumultueuze huwelijk met Elaine, de depressies, zijn doorbraak en het grote succes, de verhuizing naar Long Island, en ten slotte de dementie en de vrienden en assistenten die hem overeind hielden en zorgden voor continuïteit in zijn werk. De Amerikaanse editie van deze schitterende biografie is bekroond met de Pulitzer Prize 2005.
rijk geïllustreerdoorspronkelijke titel de Kooning: An American Master
In 1967 vloog schrijver Bert Schierbeek naar New York om schilder Willem de Kooning te portretteren. Ze praatten enkele dagen en nachten, waarna Schierbeek een uitvoerig verslag in het Engels schreef. Fragmenten hieruit werden gepubliceerd in de... Lees verder >>
In 1967 vloog schrijver Bert Schierbeek naar New York om schilder Willem de Kooning te portretteren. Ze praatten enkele dagen en nachten, waarna Schierbeek een uitvoerig verslag in het Engels schreef. Fragmenten hieruit werden gepubliceerd in de catalogus bij de eerste retrospectieve van De Kooning in het Stedelijk in 1968. Door allerlei verwikkelingen en onenigheden werd de volledige tekst echter nooit gepubliceerd. Het typoscript verdween in een bureaula en was vervolgens zelfs decennialang onvindbaar. Maar kortgeleden kwam het verloren gewaande mapje plotseling weer boven water. En hoewel Schierbeeks portret inmiddels geen actualiteitswaarde meer heeft, is het een bijzonder persoonlijk document dat alsnog uitgave verdient.
In deze editie is ervoor gekozen naast de oorspronkelijke Engelstalige tekst ook een vertaling in het Nederlands op te nemen, verzorgd door Jean Schalekamp. De Nederlandstalige inleiding -door Karin Evers en Guido Walraven- werd bovendien in het Engels vertaald, zodat er twee boekjes in één zijn ontstaan.
Vier werken van Willem de Kooning die in het boekje aan de orde komen zijn in kleur afgebeeld.
Keuze uit het werk van de Nederlandse beeldend kunstenaar (1921), met nadruk op de periode 1990-1997. Deze catalogus werd uitgegeven ter gelegenheid van de tentoonstelling 'Karel Appel'.... Lees verder >>
Keuze uit het werk van de Nederlandse beeldend kunstenaar (1921), met nadruk op de periode 1990-1997. Deze catalogus werd uitgegeven ter gelegenheid van de tentoonstelling 'Karel Appel'.