De Utrechtse architect en ontwerper Gerrit Th. Rietveld (1888-1964) is een van de bekendste vormgevers van de twintigste eeuw. Hij werd wereldberoemd met zijn rood-blauwe stoel en het Schröderhuis. Toch kennen maar weinigen de volledige omvang van... Lees verder >>
De Utrechtse architect en ontwerper Gerrit Th. Rietveld (1888-1964) is een van de bekendste vormgevers van de twintigste eeuw. Hij werd wereldberoemd met zijn rood-blauwe stoel en het Schröderhuis. Toch kennen maar weinigen de volledige omvang van Rietvelds werk.
In deze rijk geïllustreerde publicatie brengen vooraanstaande auteurs uit binnen- en buitenland Rietvelds ideeën tot leven en verbinden zijn werk en werkwijze met zijn omgeving, collega’s en met de maatschappelijke ontwikkelingen van zijn tijd. Rietveld was verbonden aan De Stijl en speelde een belangrijke rol binnen het Nieuwe Bouwen. Met meer dan honderd gerealiseerde gebouwen en vele meubelen behoort hij tot de pioniers van de moderne cultuur.
In dit boek komen Rietvelds persoonlijke universum, achtergrond, netwerk en visie op de wereld uitvoerig aan bod. Door zijn manier van werken centraal te stellen en te vergelijken met die van tijdgenoten als Frank Lloyd Wright, Le Corbusier en Mies van der Rohe, ontstaat een verrassend nieuw beeld van Rietvelds unieke bijdrage aan de beeldende kunst, architectuur en het design van de twintigste eeuw.
Rietvelds universum is de afronding van een gezamenlijk onderzoek van Centraal Museum Utrecht, Universiteit Utrecht en de afdeling ®MIT van de Technische Universiteit Delft. Dank zij dit onderzoek biedt deze publicatie een nieuwe kijk op het werk van Rietveld. Met teksten van Anthony Alofsin, Ole Bouman, Dolf Broekhuizen, Maristella Casciato, Jurjen Creman en Otakar Mácel, Rob Dettingmeijer, Roman Koot, Marieke Kuipers, Marijke Kuper, Dietrich Neumann, Ivan Nevzgodin, Wolfgang Tegethoff, Marie-Thérèse van Thoor, Ida van Zijl en Hielkje Zijlstra.
Nadat de schilderkunst er eeuwenlang op gericht was om een op de werkelijkheid lijkend beeld van de wereld op het doek te toveren, wilden moderne kunstenaars haar dichter bij de werkelijkheid brengen. Immers, in werkelijkheid is het schilderij plat en... Lees verder >>
Nadat de schilderkunst er eeuwenlang op gericht was om een op de werkelijkheid lijkend beeld van de wereld op het doek te toveren, wilden moderne kunstenaars haar dichter bij de werkelijkheid brengen. Immers, in werkelijkheid is het schilderij plat en een ruimtelijk beeld daarop moet een illusie zijn. De middelen om dit te bereiken kwamen niet uit de lucht vallen, maar werden door kunstenaars ontwikkeld – de uitvinding van de moderne kunst. Paul Cézanne, Pablo Picasso en Piet Mondriaan waren hierbij cruciaal. Aan de hand van misschien wel de meest beslissende stap naar de moderne kunst toe, laten de tentoonstelling en dit bijbehorende boek zien in hoeverre het maken van grootse kunst ook onderzoek is. Door te tonen hoe Picasso de sleutel tot het kubisme én zijn leven lang inspiratie vond in het oeuvre van Cézanne, hoe Mondriaan op een cruciaal moment in beider oeuvre oplossingen zag voor problemen die hij op zijn pad naar de abstracte schilderkunst tegenkwam, worden handreikingen gegeven voor het begrijpen van de moderne kunst en dan wel vanaf het moment van haar ontstaan
200 kleurenfoto's
De Stijl overal absolute leiding is de overwinningskreet die Theo van Doesburg (1883-1931), voorman van en motor achter De Stijl, toezond aan zijn vriend Antony Kok (1882-1969), van beroep klerk bij de spoorwegen en dichter/ wijsgeer naar hartstocht. Die... Lees verder >>
De Stijl overal absolute leiding is de overwinningskreet die Theo van Doesburg (1883-1931), voorman van en motor achter De Stijl, toezond aan zijn vriend Antony Kok (1882-1969), van beroep klerk bij de spoorwegen en dichter/ wijsgeer naar hartstocht. Die kaart waarop Van Doesburg lucht gaf aan zijn jubel maakt deel uit van hun briefwisseling, die grotendeels is bewaard (240 stuks) en die in deze editie zo compleet mogelijk is bezorgd. Van Doesburg en Kok hebben elkaar in 1914, tijdens de mobilisatie in Tilburg, ontmoet en zijn hun leven lang bevriend gebleven. Wat hen bond was hun gemeenschappelijk streven naar een nieuwe mens en naar een nieuwe samenleving. De kunst speelde daarin een heel belangrijke rol. Die gaf de richting van de vooruitgang aan. Van begin af aan hebben de vrienden hun gedachtewisselingen hierover ook per brief gevoerd.
In 1917 richtten ze samen met Mondriaan, Van der Leek, Huszar en Oud het tijdschrift De Stijl op. Dit werd het podium van de werkelijk modernen voor het uitdragen van hun kunst en hun bedoelingen. Het zou tot in 1932 verschijnen. Nadat Van Doesburg in 1919 naar het buitenland trok om in Duitsland, Frankrijk, Italië en verder in Europa contacten te leggen, werd De Stijl voertuig van de internationale avant-garde. Ook tijdens zijn buitenlandse verblijven zette Van Doesburg zijn correspondentie met Kok voort. In hun brieven is te lezen hoe zij en de groep kunstenaars rond De Stijl zich ontwikkelden en hoe ze samen Nederlands belangrijkste bijdrage aan de moderne kunst hebben geleverd.
Alied Ottevanger was twintig jaar als conservator moderne kunst verbonden aan de Rijksdienst Beeldende Kunst (thans Icn) en het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag en is daar thans werkzaam als onafhankelijk kunsthistoricus. Zij promoveerde in 1995 op haar studie over Dick Ket, publiceerde over deze kunstenaar en recentelijk over Jan Mankes. In 2007 organiseerde zij de tentoonstelling De Stijl in Tilburg. Over de vriendschap tussen Theo van Doesburg en Antony Kok in Museum De Pont in Tilburg, waarbij zij de gelijknamige uitgave verzorgde. Op dit moment bereidt zij onder andere een volgende brieveneditie voor, over de correspondentie tussen Van Doesburg en J.J.P Oud.
Dit boek verscheen bij " De Stijl in Tilburg", een tentoonstelling over de jarenlange vriendschap tussen Theo van Doesburg (1883-1931), schilder, architect en voorvechter van de moderne kunst, en Antony Kok (1882-1969), spoorwegbeambte in... Lees verder >>
Dit boek verscheen bij " De Stijl in Tilburg", een tentoonstelling over de jarenlange vriendschap tussen Theo van Doesburg (1883-1931), schilder, architect en voorvechter van de moderne kunst, en Antony Kok (1882-1969), spoorwegbeambte in Tilburg.
Jan Wils gold lange tijd als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de moderne architectuur. Na ervaring te hebben opgedaan bij het bureau van H.P. Berlage begon Wils in 1916 een eigen bureau. Met zijn beroemde woonwijk De Papaverhof en zijn... Lees verder >>
Jan Wils gold lange tijd als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de moderne architectuur. Na ervaring te hebben opgedaan bij het bureau van H.P. Berlage begon Wils in 1916 een eigen bureau. Met zijn beroemde woonwijk De Papaverhof en zijn vele publicistische activiteiten maakte Wils Den Haag rijp voor een architectuur die sterk beïnvloed was door het werk van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright en die later bekend zou worden onder de naam Haagse School. Wils’ gevels kennen vrijwel geen versieringen en karakteriseren zich als afgewogen composities van horizontale en verticale elementen. Deze jaren-dertig-architectuur is sinds een aantal jaren weer buitengewoon populair en wordt op vele plaatsen toegepast in de Vinex-locaties in Nederland. Het hoogtepunt in zijn loopbaan vormt de bouw van het Olympische Stadion in Amsterdam. Dit monumentale werk is recent tot de oorspronkelijke staat teruggerestaureerd. Het boek is een geslaagde poging om verder dan De Stijl te kijken. De uitgave over Jan Wils levert veel lees- en kijkplezier op. Het is een absoluut compleet en zeer rijk geïllustreerd met uitgebreide oeuvrecatalogus en een selectie teksten van Wils’ hand. Menno Jelgersma in Cobouw, July 19th 2007 Herman van Bergeijk tracht in dit boek de volle rijkdom en diversiteit van het oeuvre van Jan Wils te benadrukken. Door de vele fraaie illustraties en nauwgezette opzet is dit zeker gelukt. Paul Groenendijk at www.archined.nl Al met al is dit complete, verzorgde overzicht van Wils’ werk een passend monument voor een architect die veel meer te bieden heeft dan de paar hoogtepunten die hem bekendheid hebben opgeleverd. Iemand die moeilijk te plaatsen is in de overzichtelijke reeks van stromingen en meesterwerken, maar die zeer belangrijk geweest is voor de Nederlandse architectuur. Dorine Hoogstraten in De Witte Raaf, September/Oktober 2007 Peter Drijver, toespraak bij de presentatie van het boek op dinsdag 26 juni 2007 bij Stroom in Den Haag.
Het is een eer u hier te mogen toespreken bij het verschijnen van de stevige monografie van Herman van Bergeijk over Jan Wils. Het is wat onwennig om dat hier bij Stroom te doen. Stroom dat het estafettestokje heeft overgenomen van het Haagse architectuurplatform Wils & Co, waarvan Jan de Graaf en ik de mede-oprichters waren. We spreken over Jan Wils en juist boven in dit blok woonde de architect Co Brandes, die samen met Wils gangmaker, ambassadeur, intrigant en genie was van datgene wat ontwikkelaars nu de Haagse School noemen.
Iedereen die opgegroeid is in Den Haag is er volledig mee vergroeid, iedereen die er woont is ermee bekend: de donkergroene stalen kozijnen, de smalle betonbanden en een krachtig oranjerode baksteen waarvan de terugliggende lintvoegen het horizontale benadrukken. Mijn oma woonde in Benoordenhout, mijn middelbare school daar was van Jo Limburg en zo zal ieders Haags bestaan ergens een snijvlak hebben met het werk van de Haagse School. Een bouwstijl die intensief verbonden is met de stadsuitleg van Den Haag in de jaren dertig. En net als de neorenaissance is het een stijl die toegankelijk is voor alle lagen van de bevolking, betaalbaar voor elke portemonnee. Dicht verkavelde portiek-etagewoningen in Rustenburg Oostbroek, waar de woningen zo uitgezocht zijn dat het portiek precies in de as van de straat ertegenover ligt. Rianter verkavelde eengezinswoningen in Oostduin met diepe achtertuinen en bloembakken en voortuinen die de afstand tot de straat bewaren. Een bouwstijl die tenslotte ook voorkomt bij woonhotels en vrijstaande villaas aan lommerrijke lanen in Wassenaar, Waalsdorp, Marlot en Voorburg. Een bouwstijl waarmee lange blokken, hoge torens, platte daken en flauw hellende, bijna oosterse daken mogelijk zijn.
Als je door Den Haag fietst en de jaarringen van de buurten doorsnijdt lijkt de Haagse School een onverwachte revolte in de tijd. De overgangsarchitectuur van de Archipelbuurt gaat geleidelijk over in de neorenaissance van Duinoord om zich te ontwikkelen tot een vrij eclecticisme waar art nouveau en neostijlen elkaar in een heel prettige mix afwisselen. Daarna tref je een dun laagje ‘Um 1800’ aan, zo genoemd naar het boek van Paul Mebes, dat begin jaren twintig in Nederland veel weerklank vond. Maar dan, rond 1925, lijkt heel Den Haag overgenomen door een min of meer consistente bouwstijl van een stoet architecten, meestal afkomstig van de Haagse praktijk van Berlage en Mutters.
Is er achteraf een verklaring te geven voor het enorme succes dat Wils & Co in Den Haag hadden? Allereerst is daar het patronaat van de stad. Het uitbreidingsplan van Berlage en zijn voortdurende supervisie werden ondersteund door de Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting en een krachtige wethouder als Bakker Schut.Wethouders en stedenbouwers zijn vandaag de dag weinig vastberaden, hoewel onze tijden natuurlijk wel gecompliceerder zijn.Dan was er het patronaat van nestor Berlage zelf, de Riek Bakker van de jaren twintig. Medewerkers van zijn Haagse bureau mochten hun vleugels uitslaan en kregen een bruidschat mee. Berlage bezorgde Wils de opdracht voor de Papaverhof, Van Eesteren kreeg na diens coalities met Van Doesburg en Wils de opdracht voor Molensloot in Bezuidenhout. Wegerif droeg op zijn beurt het woonhotel aan de Zeestraat op aan Berlage. Tenslotte was er het architectuurklimaat: Wils, Zwart, Huszar en Buys waren gangmakers in de bonte wereld van film, architectuur, beeldende kunst, kunstnijverheid en stedenbouw.Onder de gemeentearchitecten die verantwoordelijk waren voor scholen en woningbouwcomplexen waren veel medestanders te vinden, zoals, onder het patronaat van Schadée, Van der Zwart, Van der Togt en Greve. Een belangrijke rol bij de particuliere bureaus speelden de architecten Harry Elte, Duiker en Bijvoet, Herman van der Kloot Meyburg, Johan Buijs, Jo Limburg, Frans Lourijsen, Dirk Roosenburg en Co van Eesteren, maar ook minder bekende architecten als Wouda, Jansen, Buurma, Westerhout, Mertens, Verschoor, Van Eck en Wegerif.
Werd deze architectuur en stedenbouw door een culturele elite aan een onwillige markt opgedrongen, zoals in de jaren negentig van de vorige eeuw nog schering en inslag was? Integendeel, wanneer je de tekeningen van Wils en Brandes goed bekijkt zie je de aandacht voor comfort en de welhaast burgerlijke wooncultuur die ermee gepaard gaat. Bloemperken, bloembakken, veranda’s, loggia’s, bordessen en tuintrappen begeleiden de overgang van het interieur naar de tuin en geven er vorm aan. Het is veeleer gezapig fin de siècle dan de nerveuze drukte van de Großstadt. Voortuinen, voetmuren, vijvers, bruggen, een luifel en vazen begeleiden de bezoeker tot aan de voordeur waar in de traditie van Lambertus Zijl een beeldhouwwerk van Altorf is opgenomen. Ook hier eerder de sfeer van een landgoed dan van een efficiënt woonhotel met centrale stofzuiger en goederenlift.
Wanneer de Haagse School ergens in geslaagd is dan is het wel dat ze de negentiende-eeuwse burgerlijke wooncultuur op een aantrekkelijke manier heeft vertaald in een moderne, door Wright geïnspireerde baksteenarchitectuur. Het maken van die verbinding tussen het moderne van overzee met het burgerlijke alledaagse, zonder in platheid te vervallen, is een wonder waar we vandaag lering uit zouden kunnen trekken. Deze architecten waren niet bang voor monumentaliteit als je de woonhotels in Den Haag ziet, zoals het luie langgerekte gebouw van Lourijsen aan de Van Hogenhoucklaan en het paleis met toren van Wegerif aan de Zeestraat. En natuurlijk moet je lef hebben en zeker van je zaak zijn om een heel kralensnoer van Wright-huisjes aaneen te durven rijgen.
De Haagse School lijkt een marktidylle die op betrekkelijk moderne leest is geschoeid en daarbij op een moderne schaal is uitgevoerd. De architecten legden een gezonde dienstbaarheid aan de dag waar het wooncomfort van de bewoners in het geding is en namen verantwoordelijkheid voor hun discipline als ontwerper. Terugblikkend is voor de bewoner de Haagse School de laatste complete architectonische stroming waarbij er voor woningbouw nog harmonieuze continuïteit bestaat tussen het profiel van de laan of straat, het architectonisch detail van de gevel en de interieurafwerking. Plinten, architraven met neuten, suitedeuren met glas-in-loodramen, de gesneden trappaal, perklijsten en een eenvoudig plafondrozet, een teakhouten voordeur met blokjes coromandelhout en een geslepen ruitje. Wanneer die ‘originele details’ er nog zijn hoef je als bewoner aan die woningen weinig meer te doen, eenvoudigweg omdat de architectuur binnen klaar en af is.Als ontwerpers kijken we vandaag de dag met een enorme jaloezie terug naar die architectuurproductie. Het barre wederopbouw-productivisme heeft ons op een rantsoen gezet van afzichtelijke standaardtrappen, multiplex stroken, vlakke voordeuren, opdekdeuren en plaatstalen binnenkozijnen.
De kloeke monografie van Herman van Bergeijk en 010 geeft inzicht in het werk van een architect die vroeg in zijn carrière door enkele projecten enige wereldfaam verwierf. Ik pleit ervoor dat we de komende jaren de Papaverhof, het Jozef Israëlsplein en het Olympisch Stadion behalve als inspir
Bart van der Leck (1876-1958), als kunstenaar vooral bekend geworden als medewerker van De Stijl, is van zijn kunst niet rijk geworden. Integendeel, hij heeft zijn leven lang moeite gehad zichzelf en zijn gezin te onderhouden. Het was kunstpedagoog H.P.... Lees verder >>
Bart van der Leck (1876-1958), als kunstenaar vooral bekend geworden als medewerker van De Stijl, is van zijn kunst niet rijk geworden. Integendeel, hij heeft zijn leven lang moeite gehad zichzelf en zijn gezin te onderhouden. Het was kunstpedagoog H.P. Bremmer (1871-1956) die in dit opzicht hulp bood. Hij verleende Van der Leck periodieke, financiele ondersteuning die lange tijd - uiteindelijk bijna 35 jaar - zou duren. Voorwaarde was dat in ruil voor het geld, Van der Leck de schilderijen die hij gedurende die termijn maakte aan Bremmer zou doen toekomen.De briefwisseling die zij in de jaren 1911-1956 onderhielden doet hiervan verslag. In de 124 bewaard gebleven brieven wordt steeds prompt het arriveren van geld en de ontvangst van kunstwerken gemeld. Regelrechte en innige vriendschap bleek echter uitgesloten. De brieven maken duidelijk waarom, het was het onoverkomelijke gevolg van het verschil tussen beider positie in deze zakelijke relatie. Bremmer oefende vanuit zijn superieure positie invloed uit op het werk en de roem van de kunstenaar. Van der Leck kon zich in zijn geisoleerde positie handhaven, maar wist dat dit ten koste ging van zijn grote ideaal: het verwezenlijken van een nieuwe, moderne gemeenschapskunst.
50 zwart-witillustraties
Haags Gemeentemuseum; Den Haag, 1968. 18.5 x 22.5 cm. 154 p. Rijk geill. met kleuren-en z/w foto’s Omslag [met flappen]. Conditie... Lees verder >>
Haags Gemeentemuseum; Den Haag, 1968. 18.5 x 22.5 cm. 154 p. Rijk geill. met kleuren-en z/w foto’s Omslag [met flappen]. Conditie goed