Jan WilsDe Stijl en verder
Bergeijk, Herman van
010 Publishers, 2007, Hardcover, 254 p. Nederlands 978 90 6450 567 6 Jan Wils gold lange tijd als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de moderne architectuur. Na ervaring te hebben opgedaan bij het bureau van H.P. Berlage begon Wils in 1916 een eigen bureau. Met zijn beroemde woonwijk De Papaverhof en zijn vele publicistische activiteiten maakte Wils Den Haag rijp voor een architectuur die sterk beïnvloed was door het werk van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright en die later bekend zou worden onder de naam Haagse School. Wils’ gevels kennen vrijwel geen versieringen en karakteriseren zich als afgewogen composities van horizontale en verticale elementen. Deze jaren-dertig-architectuur is sinds een aantal jaren weer buitengewoon populair en wordt op vele plaatsen toegepast in de Vinex-locaties in Nederland. Het hoogtepunt in zijn loopbaan vormt de bouw van het Olympische Stadion in Amsterdam. Dit monumentale werk is recent tot de oorspronkelijke staat teruggerestaureerd. Het is een eer u hier te mogen toespreken bij het verschijnen van de stevige monografie van Herman van Bergeijk over Jan Wils. Het is wat onwennig om dat hier bij Stroom te doen. Stroom dat het estafettestokje heeft overgenomen van het Haagse architectuurplatform Wils & Co, waarvan Jan de Graaf en ik de mede-oprichters waren. We spreken over Jan Wils en juist boven in dit blok woonde de architect Co Brandes, die samen met Wils gangmaker, ambassadeur, intrigant en genie was van datgene wat ontwikkelaars nu de Haagse School noemen. Iedereen die opgegroeid is in Den Haag is er volledig mee vergroeid, iedereen die er woont is ermee bekend: de donkergroene stalen kozijnen, de smalle betonbanden en een krachtig oranjerode baksteen waarvan de terugliggende lintvoegen het horizontale benadrukken. Mijn oma woonde in Benoordenhout, mijn middelbare school daar was van Jo Limburg en zo zal ieders Haags bestaan ergens een snijvlak hebben met het werk van de Haagse School. Een bouwstijl die intensief verbonden is met de stadsuitleg van Den Haag in de jaren dertig. En net als de neorenaissance is het een stijl die toegankelijk is voor alle lagen van de bevolking, betaalbaar voor elke portemonnee. Dicht verkavelde portiek-etagewoningen in Rustenburg Oostbroek, waar de woningen zo uitgezocht zijn dat het portiek precies in de as van de straat ertegenover ligt. Rianter verkavelde eengezinswoningen in Oostduin met diepe achtertuinen en bloembakken en voortuinen die de afstand tot de straat bewaren. Een bouwstijl die tenslotte ook voorkomt bij woonhotels en vrijstaande villaas aan lommerrijke lanen in Wassenaar, Waalsdorp, Marlot en Voorburg. Een bouwstijl waarmee lange blokken, hoge torens, platte daken en flauw hellende, bijna oosterse daken mogelijk zijn. Als je door Den Haag fietst en de jaarringen van de buurten doorsnijdt lijkt de Haagse School een onverwachte revolte in de tijd. De overgangsarchitectuur van de Archipelbuurt gaat geleidelijk over in de neorenaissance van Duinoord om zich te ontwikkelen tot een vrij eclecticisme waar art nouveau en neostijlen elkaar in een heel prettige mix afwisselen. Daarna tref je een dun laagje ‘Um 1800’ aan, zo genoemd naar het boek van Paul Mebes, dat begin jaren twintig in Nederland veel weerklank vond. Maar dan, rond 1925, lijkt heel Den Haag overgenomen door een min of meer consistente bouwstijl van een stoet architecten, meestal afkomstig van de Haagse praktijk van Berlage en Mutters. Is er achteraf een verklaring te geven voor het enorme succes dat Wils & Co in Den Haag hadden? Allereerst is daar het patronaat van de stad. Het uitbreidingsplan van Berlage en zijn voortdurende supervisie werden ondersteund door de Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting en een krachtige wethouder als Bakker Schut. Werd deze architectuur en stedenbouw door een culturele elite aan een onwillige markt opgedrongen, zoals in de jaren negentig van de vorige eeuw nog schering en inslag was? Integendeel, wanneer je de tekeningen van Wils en Brandes goed bekijkt zie je de aandacht voor comfort en de welhaast burgerlijke wooncultuur die ermee gepaard gaat. Bloemperken, bloembakken, veranda’s, loggia’s, bordessen en tuintrappen begeleiden de overgang van het interieur naar de tuin en geven er vorm aan. Het is veeleer gezapig fin de siècle dan de nerveuze drukte van de Großstadt. Voortuinen, voetmuren, vijvers, bruggen, een luifel en vazen begeleiden de bezoeker tot aan de voordeur waar in de traditie van Lambertus Zijl een beeldhouwwerk van Altorf is opgenomen. Ook hier eerder de sfeer van een landgoed dan van een efficiënt woonhotel met centrale stofzuiger en goederenlift. Wanneer de Haagse School ergens in geslaagd is dan is het wel dat ze de negentiende-eeuwse burgerlijke wooncultuur op een aantrekkelijke manier heeft vertaald in een moderne, door Wright geïnspireerde baksteenarchitectuur. Het maken van die verbinding tussen het moderne van overzee met het burgerlijke alledaagse, zonder in platheid te vervallen, is een wonder waar we vandaag lering uit zouden kunnen trekken. De Haagse School lijkt een marktidylle die op betrekkelijk moderne leest is geschoeid en daarbij op een moderne schaal is uitgevoerd. De architecten legden een gezonde dienstbaarheid aan de dag waar het wooncomfort van de bewoners in het geding is en namen verantwoordelijkheid voor hun discipline als ontwerper. De kloeke monografie van Herman van Bergeijk en 010 geeft inzicht in het werk van een architect die vroeg in zijn carrière door enkele projecten enige wereldfaam verwierf. Ik pleit ervoor dat we de komende jaren de Papaverhof, het Jozef Israëlsplein en het Olympisch Stadion behalve als inspir |